| Printversie
11 februari 2008: Kardinalen starten mondiale dialoog over Maria - Interview met Bisschop Jozef Punt
KARDINALEN STARTEN MONDIALE DIALOOG OVER MARIA
Op 1 januari 2008 heeft een groep kardinalen tot verrassing
van velen het startsein gegeven voor een mondiale dialoog om de devotie tot
Maria theologisch te verdiepen. Zij vragen alle bisschoppen ter wereld om zich
uit te spreken over de plaats van Maria in Gods heilsplan, en over de wenselijkheid
van een vijfde mariaal dogma.
Het bestuur van de Stichting “Vrouwe van alle Volkeren” heeft ook
onze bisschop hierover enkele vragen voorgelegd.
INTERVIEW MET BISSCHOP JOZEF PUNT
OVER ACTIE KARDINALEN
Monseigneur, U heeft een brief ontvangen van enkele kardinalen aan alle bisschoppen
van de Kerk om zich uit te spreken over de plaats van Maria in Gods heilsplan.
Zij pleiten voor de officiële kerkelijke proclamatie van Maria als “de
spirituele Moeder van alle Volkeren, Medeverlosseres… Middelares van alle
genaden…en Voorspreekster…” Steunt u deze actie?
Ik sta er zeker positief tegenover. Hun oproep is overigens
niet nieuw, maar bouwt voort op een overtuiging die al heel lang in de Kerk
leeft. Al deze mariale titels, ook die van Medeverlosseres,
hebben een vaste plaats in de kerkelijke Traditie. We vinden ze terug bij pausen,
heiligen en mystici. De huidige actie gaat evenwel een stap verder. De inzet
is een vijfde mariaal dogma. Bij sommigen heeft deze oproep verwondering gewekt.
Toch is een dergelijke dialoog volkomen legitiem en normaal in de kerk. Belangrijke
leeruitspraken zijn nooit anders tot stand gekomen. Bij de paus alleen ligt
de uiteindelijke competentie om over de betekenis en opportuniteit hiervan te
oordelen.
Het gaat in deze dialoog overigens niet om theologische
haarkloverij, maar om de actuele vraag wie Maria mag zijn voor onze tijd en
onze wereld. Met de kardinalen en met de honderden bisschoppen, die zich hierover
al eerder positief hebben uitgesproken, deel ik de inspiratie dat de Heer onze
tijd bijzonder aan zijn Moeder heeft toevertrouwd. Dat het zijn wil is dat de
Kerk zich in deze tijd nog meer schaart rond Maria, zoals eens de apostelen
in het cenakel, om een nieuw Pinksteren over onze gewonde wereld af te smeken
Maar waarom is daarvoor een dógma nodig, en waarom
juist dít dogma in het bijzonder?
Misschien eerst iets over het laatste, de inhoud. Ik
besef dat vooral medechristenen uit de Reformatie, in al deze mariale titels
vaak een verduistering zien van de uniciteit en grootheid van Christus. Deze
zorg kan ik goed begrijpen. Toch denk ik dat het eerder omgekeerd is. Juist
de grootheid van Maria en de vele titels die de traditie aan haar toekent, schrijft
al kardinaal Newman, verwijzen naar het volstrekt unieke van het Kind dat uit
haar geboren is, “Hij is de goddelijke
Wijsheid, zij daarom de Zetel der Wijsheid. Hij is de oneindige Barmhartigheid,
zij daarom de Moeder van Barmhartigheid…” Als je haar met
de Kerkvaders wel ‘Moeder van God,
nieuwe Eva, Morgenster…’ noemt, schrijft hij in dialoog met
een Anglicaanse geestelijke, “hoe
kun je er dan bezwaar tegen maken dat zij ook ‘Medeverlosseres’
genoemd wordt?” Het ‘mede’
betekent uiteraard niet ‘gelijk
aan’, maar ‘verbonden
mét’.
Bent u niet bang dat deze titel toch wel enige verwarring
brengt, en daarmee onbedoeld afbreuk doet aan het universele Middelaarschap
van Christus?
Het vraagt natuurlijk uitleg, zoals vrijwel alle geloofsformuleringen,
maar het maakt iets anders juist weer duidelijker. Christus, getuig ook ik met
klem, is de enige Middelaar tussen God en mens. Hij alleen verenigt beide in
zijn eigen Persoon. Hij alleen verlost de mens, maar niet zonder de mens. Hij
laat ons delen in onze eigen verlossing. Het is een besef dat we al bij Paulus
vinden, en later bij Augustinus. De universaliteit van de Verlossing door Christus
“sluit geen medewerking van mensen
uit, maar geeft er juist ruimte aan”, concludeert dan ook het Tweede
Vaticaans Concilie. (LG 60,62). Ook ons lijden, bidden, werken wordt verlossend
voor onszelf en voor anderen in de mate waarin we met Christus verbonden zijn,
door ons geloof en door ons leven. Ook dat is een wezenlijk besef dat onze tijd,
naar mijn mening, dringend nodig heeft.
Op eminente wijze geldt dit natuurlijk voor Maria,
zijn Moeder, die de hele weg met Hem gegaan is, van vóór zijn
geboorte tot ná zijn dood. Onscheidbaar toen, onscheidbaar nu. Met ziel
en lichaam levend in de hemel, zoals Hij. Verheerlijkt, zoals Hij.
Zij is ‘de Onbevlekte Ontvangenis’,
door Gods genade geschapen in de oorspronkelijke zuiverheid en vrijheid. Dit
geeft haar menselijke medewerking aan de Verlossing een volstrekt unieke kwaliteit
en dimensie, waarin zij alle andere mensen verre overtreft, schrijven de concilievaders.
Dit vraagt dan ook een eigen officiële theologische formulering. Tot nu
toe is deze er niet.
Maar ook al is de inhoud in lijn met de katholieke theologische
Traditie, dan nog blijft de vraag: waarom moet dit in een dógma worden
vastgelegd? Wat voegt dat toe?
Dit is een heel terechte vraag. Zoals een goede priester
mij zei: Het is toch ook wel waar, als het niet officieel als vaste waarheid
wordt geformuleerd. Hij heeft natuurlijk gelijk, maar ziet – denk ik -
toch iets essentieels over het hoofd. Voor God is het niet onverschillig of
de mens de volle werkelijkheid van zijn heilsplan expliciet erkent of niet.
Het gaat hierbij niet alleen om waarheid, maar primair om gelóóf.
In de heilige Schrift tast Christus voortdurend naar het geloof van mensen,
en antwoordt met wonderen van genezing en redding. Op het openlijk geloofsgetuigenis
van Petrus bouwt Hij zijn Kerk. De heilige Schrift maakt ons keer op keer duidelijk
hoezeer God zijn reddend handelen afhankelijk maakt van het geloof en van de
vrije medewerking van mensen. Hij vroeg het jawoord van Maria om zijn heilswerk
te beginnen. Hij vraagt het jawoord van zijn Kerk om het te voltooien, en grote
dingen te kunnen doen in onze tijd.
Een ‘ja’
tegen God is in deze tijd meer dan ooit ook een
‘ja’ tegen Maria, zo geloven de kardinalen en geloof ook
ik. De ‘totus tuus’ paus, Johannes Paulus II, leefde dit voor. In
antwoord op Fatima wijdt hij de gehele wereld toe aan het Onbevlekt Hart van
Maria. En dan, kort voor zijn dood, doet hij voor de laatste keer een ontroerend
beroep op onze hemelse Moeder: “Verkrijg
nog één keer vrede en redding voor alle mensen. De eeuwige Vader
heeft u uitgekozen tot Moeder van de Verlosser. Vernieuw onze tijd door uw bemiddeling,
wonder van Zijn erbarmende liefde”. De hemel luistert bijzonder
waar een herder, en zeker de Opperherder, smeekt voor zijn volk, en verlengde
opnieuw de tijd van barmhartigheid.
U ziet in een nieuw mariaal dogma een act van geloof
in God en in zijn heilsplan, die niet onbeantwoord zal blijven. Kunt u de vruchten
die u verwacht meer specifiek aangeven?
* Het zou naar mijn mening allereerst Jezus Christus,
‘de vergeten Verlosser’, de enige Middelaar tussen God en mens,
weer centraal stellen in de geestelijke ontwikkeling van mens en wereld. Maria’s
rol kan tenslotte alleen maar begrepen worden in en vanuit Hem.
* Het zou een nieuw en actueel licht werpen op de bijbelse idee van menselijke
medewerking aan de eigen verlossing, alsook op de unieke vrouwelijke rol in
schepping en verlossing. Het zou de vrouw daarmee de zo noodzakelijke nieuwe
identificatie bieden voor haar eigen plaats in Gods heilsplan.
* Maar bovenal zou het Maria, de Immaculata, de “spirituele
moeder van de gehele mensheid”, zoals Johannes Paulus II en Benedictus
XVI haar noemen, de plaats geven die God voor haar bedoeld heeft, en daarmee
de sluizen van de genade openen. De eerste vier mariale dogma’s gaan vooral
over Maria zelf. Dit gaat over óns. Over haar moederlijke, medeverlossende,
bemiddelende en voorsprekende rol voor deze tijd en deze wereld.
Maar ook al is een dogma theologisch mogelijk, en wellicht
spiritueel vruchtbaar,
dan nog blijft de vraag naar de opportuniteit: waarom nú? Is de tijd
wel rijp?
Uiteindelijk is dit voor mij een vraag van geloof.
Het gaat om veel meer dan een afweging van mogelijke voor- en nadelen. Ten diepste
gaat het erom proberen te verstaan wat Gods plan is voor deze tijd. Hij alleen
kent de toekomst. Hij alleen weet hoe dringend onze tijd de bemiddeling van
de hemelse Moeder nodig heeft. Wij kunnen slechts de gevaren zien die de mensheid
bedreigen. Wij kunnen de broosheid van onze eigen menselijke oplossingen beseffen.
Wij kunnen het geestelijk en moreel verval voelen en tot de overtuiging komen
dat we het zonder God en zijn heilige Geest niet redden. Op
dat niveau wordt de vraag naar de opportuniteit beslist.
Het is mijn diepe overtuiging dat de Vader en de Zoon het zo willen, dat Maria
het anker van hoop zou zijn voor déze tijd, waar bij zo velen de Verlosser
uit het hoofd en het hart is verdwenen. Dat alleen zij Christus en Zijn Kruis
terug kan brengen in de harten. Dat alleen zij de weg is naar een nieuwe komst
van de Geest. Tenslotte is het haar zending, en die van de Kerk, om de door
Christus behaalde Verlossing op het Kruis in tijd en geschiedenis aan de schepping
te voltrekken.
Paus Benedictus gebruikt voor deze rol van Maria het prachtige beeld ‘aquaductus’:
door haar hart en handen stromen de genade, verlossing en vrede van Christus
in de wereld.
Tenslotte is Maria geen theologisch concept, maar een werkelijke spirituele
Moeder. “Helemaal moeder van de ledematen”,
schreef al Augustinus, “zoals zij
ook moeder is van het Hoofd”.
Zij werd het onder het Kruis. Haar woord heeft kracht, gelooft de Kerk. Waar
haar kinderen lijden of dreigen te gronde te gaan, gaat een moeder dwars door
alle barrières heen. Hoeveel dreigingen hangen niet over onze wereld?
Hoeveel wordt er niet geleden? Hoeveel ook niet gezondigd?
“Waar de zonde heeft gewoekerd”,
zegt de Schrift, “wordt de genade
mateloos”. Maria boort deze genade voor ons aan, de liefde, de
redding, de vergeving van God. Maar altijd in respect voor de vrijheid van de
mens. De volle erkenning van haar grootse rol in Gods heilsplan baant hiervoor
de weg. Dat is ten diepste de inspiratie die ik lees in de oproep van de kardinalen.
In de oproep van de kardinalen klinkt ook enigszins de
devotie van Amsterdam door. Welke rol spelen private openbaringen bij dit alles,
en is dat niet problematisch?
Private openbaringen zijn een normaal gegeven in de
Kerk. We vinden ze volop in de heilige Schrift, alsook doorheen de hele kerkgeschiedenis.
De Kerk toetst ze met grote voorzichtigheid, maar negeert ze niet. Ook daarin
kan de hemel spreken, ons geloof verdiepen en ons gevoelig maken voor de tekenen
van de tijd. Soms ligt er de vraag in naar specifieke toewijding, of naar een
kerkelijk feest.
De afgelopen 200 jaar kregen de verschijningen van Maria een toenemend profetisch
karakter.
Zoals ooit de profeet Jona bij de inwoners van Ninivé, de grote stad,
waar zoveel onverschilligheid en zonde heerste, een géést wist
op te wekken van ommekeer en verootmoediging, zo probeert Maria dat met toenemende
dringendheid op vele plaatsen ter wereld. In Amsterdam wijst ze op de ernst
van de tijd. Een tijd die getekend wordt door ‘verwording,
rampen en oorlog’, en die dreigt af te glijden naar een ‘wereldcatastrofe’.
Ze vraagt daarom haar medeverlossende rol in Gods heilsplan officieel te erkennen.
Maar of mensen het geloof in deze specifieke verschijning met mij delen of niet,
is hier niet de essentie. De oproep van de kardinalen heeft vooral theologische
en historische bronnen.
Kunt u dat wat concreter toelichten?
Een dogma baseert zich nooit op een private openbaring,
maar op een lange en constante overtuiging van de Kerk. Deze is hier evident
aanwezig. Eigenlijk is de hele theologie van de ‘Medeverlosseres’
al geschreven. Theologen en heiligen hebben deze titel gebruikt en verdedigd.
In de 20e eeuw b.v. alleen al Edith Stein, Maximiliaan Kolbe, Pater Pio, José
Maria Escrivà, Moeder Theresa, Zuster Lucia en vele anderen. In 1913
heeft de Congregatie voor de Geloofsleer de theologische correctheid van de
titel bevestigd. In de traditie van het leergezag is deze gedachte volop aanwezig.
Naar inhoud heel sterk bij de pausen Benedictus XV en Pius XII. Expliciet is
de titel gebruikt door Pius XI en Johannes Paulus II. Zijn encycliek ‘Redemptoris
Mater’ legt feitelijk het theologisch fundament. Midden in de oorlog,
in 1943, hebben de Nederlandse bisschoppen land en volk aan Maria Medeverlosseres
toegewijd. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft over de medewerking van Maria
aan de Verlossing prachtige dingen geschreven, maar gaf aan “geen
complete leer over Maria” te willen presenteren, en laat uitdrukkelijk
ruimte voor verdere ontwikkeling (LG 54).
Ook de vraag om een dogma is al oud. Reeds in 1923
pleitte de Belgische kardinaal Mercier, gesteund door Maximiliaan Kolbe en vele
anderen, voor de dogmatische definitie van Maria’s rol in de Verlossing.
Paus Benedictus XV stond hiervoor open en benoemde drie commissies om dit te
bestuderen. De beweging bleef sterk tot in de jaren ’60. Daarna ging het
in de beginnende geloofscrisis ten onder. Het lijkt dat de tijd nu opnieuw rijp
is. Discussie en verschil van mening zullen blijven. Het is nooit anders geweest.
Het is interessant om de kranten en tijdschriften ten tijde van de dogmaverklaring
van Maria ten hemelopneming in 1950 er op na te slaan. De discussie die toen
gevoerd werd rond theologie, opportuniteit en oecumene is vrijwel dezelfde als
nu.
Maar zoals de kardinalen terecht benadrukken,
het is de onvervreembare verantwoordelijkheid van de paus alleen om dit alles
te wegen, en de onze om hem daarin te volgen. De persoon van Maria is een mysterie
van liefde, waarin de Kerk in de loop der eeuwen steeds dieper is doorgedrongen.
Een mysterie waarover het laatste woord nog niet gesproken is.
11 februari 2008
Bestuur van de Stichting “Vrouwe van alle Volkeren”
PDF
van het interview met Bisschop Jozef Punt
Persbericht
over de actie van de vijf kardinalen
Herderlijk
schrijven van het Nederlandsch Episcopaat,
waarin de toewijding van Nederland aan het onbevlekt Hart van Maria
op zondag 3 october 1943 wordt aangekondigd.
Printversie
|