Inhoud


De eerste 35 jaar - Details
Home --> De Zieneres

Printversie

 

Untitled Document
KINDERJAREN EN JEUGD
EERSTE ONTMOETING MET MARIA
U HEEFT TE WEINIG FANTASIE
DEMONISCHE KRACHTEN BELAGEN HET GEZIN
OORLOGSGEZICHTEN VAN DE 35-JARIGE ZIENERES

 

IDA PEERDEMAN, DE ZIENERES VAN AMSTERDAM

Biografie van P. Paul Maria Sigl
2005, deel 1


De 2-jarige Ida

KINDERJAREN EN JEUGD

Op 13 augustus 1905 wordt Ida Peerdeman als jongste van vijf kinderen geboren te Alkmaar in Noord-Holland.
Er is een mooie anekdote over. Diezelfde dag is namelijk de oudste zus Gesina jarig en omdat ze al lang een nieuwe pop wil hebben, neemt vader haar mee naar de slaapkamer waar moeder met de pasgeboren Ida ligt. Maar als Gesina begrijpt wat er aan de hand is, begint ze te stampvoeten en roept beledigd: “Zo’n pop wil ik niet! Ik wil een echte pop!”


De St.-Jozefkerk in Alkmaar
waar Ida werd gedoopt
Bij het doopsel in de parochiekerk van St. Jozef krijgt het kindje de namen Isje Johanna, maar ze wordt altijd Ida genoemd.

Kort voor de Eerste Wereldoorlog verhuist de familie Peerdeman naar Amsterdam. Ida is pas acht jaar als haar moeder op 35-jarige leeftijd in het kraambed sterft, samen met de pasgeboren baby. Iedereen is zwaar getroffen door dit verlies en Gesina, de oudste zus, moet haar wens om verpleegster te worden opgeven. Zelf pas zestien jaar, doet zij haar best om voor haar drie zusjes en broertje Piet een goede moeder te zijn en het gezin bijeen te houden, omdat vader als textielkoopman vaak door heel Nederland op reis is. Het gemeenschappelijk gezinsleven thuis is voor hen allemaal erg belangrijk. Ida is vooral graag samen met haar broertje Piet, die haar begrijpt, met haar praat en haar troost als ze verdrietig is.
Als katholiek gezin gaan ze zondags naar de kerk en voor het eten wordt er gebeden, maar dat is ook alles.
Als kind gaat Ida elk weekend in de kerk van de dominicanen biechten bij pater Frehe, die later haar leidsman zal worden.

Zo verstrijken er enige jaren, tot 13 oktober 1917. Op deze gedenkwaardige zaterdagmiddag in de rozenkransmaand, dezelfde dag waarop in Fatima het zonnewonder plaatsvindt, gebeurt er iets wonderbaarlijks als ze na de biecht de gebruikelijke weg naar huis gaat.

naar boven

 

EERSTE ONTMOETING MET MARIA

De 12-jarige Ida wordt getuige van een hemelse verschijning. Aan het eind van de straat ziet ze een overweldigend licht en daarin een stralende, wonderschone dame, die eruit ziet als een joodse vrouw en door de jonge Ida onmiddellijk als Maria wordt herkend. Met enigszins gespreide armen en een lieftallige, vriendelijke blik, staat zij in het glanzende licht, zonder iets te zeggen. Nog nooit in haar leven heeft Ida zoiets moois gezien. Als de vrouw vriendelijk gebaart, rent het meisje snel naar huis.

Begrijpelijkerwijze geeft vader haar de raad om er niet over te praten en alles maar te vergeten. “Vertel het in vredesnaam aan niemand. De mensen zullen je voor gek verklaren en je belachelijk maken. Dat is wel het laatste wat we kunnen gebruiken!” Daarom spreekt Ida er niet over, hoewel ze nogmaals hetzelfde beleeft op de twee volgende zaterdagen. De mooie vrouw verschijnt weer als in het licht van de zon, glimlachend en zonder iets te zeggen, net als de eerste keer als Ida na de biecht op weg is naar huis.

Dit alles speelt zich af in oktober 1917, de maand waarin Maria in Fatima voor de laatste keer aan de drie herderskinderen verschijnt.
Natuurlijk weet Ida daar niets van. Pater Frehe, Ida’s vertrouweling en raadgever van de familie Peerdeman, heeft wel van de buitengewone gebeurtenissen vernomen. Maar ook hij geeft zijn biechtelinge de dringende raad alles voor zich te houden en er maar niet meer over na te denken. En zo blijft deze eerste voorbereiding van Ida op haar latere Mariaverschijningen geheel verborgen.

Bij de vijfentwintigste verschijning – drieëndertig jaar later – herinnert Maria zelf aan de drie verschijningen van 1917, wanneer Ida haar bezorgd vraagt:
“Zullen ze mij geloven?” “Ja”, antwoordt de Vrouwe, “daarom ben ik vroeger reeds tot je gekomen, toen gij het niet begreep. Dat was toen ook niet nodig. Dat is het bewijs geweest voor nu.” (10 december 1950) Dat wil zeggen: deze verschijning is geen misleiding maar werkelijk Maria, net zoals destijds.

naar boven

 

“Steeds weer mocht ik in mijn leven de bijzondere hulp van God ervaren.”
Ida Peerdeman

U HEEFT TE WEINIG FANTASIE

Na de mulo wil Ida graag verder leren om kleuterleidster te worden. Maar na een praktijkles wordt ze naar huis gestuurd met de mededeling: “Helaas bent u er niet voor geschikt. U heeft te weinig fantasie en voorstellingsvermogen.”

Nog niemand kan dan vermoeden hoe belangrijk deze constatering eenmaal in het leven van de zieneres zal zijn, namelijk wanneer ze ervan wordt beschuldigd dat de verschijningen slechts de inbeelding zijn van haar levendige fantasie.
Jaren later blijkt uit een psychologisch onderzoek dat op verzoek van de bisschop werd ingesteld, dat ze volledig normaal is. Ida heeft geen beeldend voorstellingsvermogen, maar is veeleer nuchter en fantasieloos.

Als Ida een jaar of 18, 19 is, besluit ze op het kantoor te gaan werken van een parfumfabriek in Amsterdam, waar ze nog vele jaren zal blijven. Haar collega’s mogen haar graag vanwege haar lieve en bescheiden karakter. Het knappe meisje heeft veel bewonderaars maar voelt zich niet tot het huwelijk geroepen.
In deze tijd heeft Ida steeds meer te lijden van demonische aanvallen. Hélène, de dochter van Ida’s broer Piet, herinnert zich nog heel precies wat er in de familiekring allemaal werd verteld over deze tijd, waarin Ida zoveel te lijden had van demonische kwellingen.

Tijdens een wandeling door de stad wordt Ida’s aandacht getrokken door een man. Hij is helemaal in het zwart gekleed, als een priester. Zijn akelige, doordringende blik beangstigt haar en ze probeert hem te ontwijken door haar pas te versnellen. Haar achtervolger haalt haar echter in. Hij grijpt haar ruw bij de arm en probeert haar de gracht in te sleuren en haar zo te verdrinken. In dit levensgevaarlijke ogenblik hoort Ida een zachte stem die haar geruststelt en hulp belooft. Op hetzelfde moment laat de zwarte figuur haar met een afschuwelijke kreet los en verdwijnt spoorloos.

Daarop geeft vader aan Gesina de opdracht haar jongste zus elke dag naar haar werk te brengen en ’s avonds weer af te halen.

Maar opnieuw ontmoeten ze deze sinistere persoon. Hij geeft Ida een ijskoude glimlach maar durft haar niet aan te raken.
Nog een derde keer wordt het 20-jarige meisje benaderd door de duivel. Dit keer probeert hij haar op geraffineerde wijze te betrekken in een dodelijk ongeval. Hij doet zich voor als een hulpbehoevende oude vrouw, die beweert dat zij Ida vaak in de kerk heeft gezien. Ze noemt het meisje een adres en nodigt haar uit gauw eens langs te komen. Ida slaat dit af, maar stemt wel in als ze vraagt haar te helpen met oversteken. Een verlammende angst overvalt Ida als haar arm midden op straat opnieuw als door een klauw in een ijzeren greep wordt genomen. Ze slaakt een kreet en weg is satan. Hij heeft haar recht voor een naderende tram getrokken die maar net op tijd kan stoppen. Het scheelde maar een haar of Ida zou overreden zijn.

Als haar broer Piet met zijn aanstaande zwager op het adres afgaat dat de oude vrouw heeft opgegeven, treft hij slechts een oud, leeg huis aan.


naar boven

 

Pater Frehe, Ida’s biechtvader en geestelijk leidsman, was allesbehalve lichtgelovig. Maar persoonlijk was hij ten diepste overtuigd van de echtheid van de boodschappen.
Als theologisch geschoold dominicaan onderzocht hij de door de zieneres overgebrachte schouwingen en woorden van de Vrouwe uiterst nauwkeurig. Als zielzorger was hij vol zelfopoffering en tegenover iedereen mild en goed. Echt streng was hij alleen voor zichzelf en – als het de zaak van de Vrouwe van alle Volkeren betrof – voor de zieneres.

DEMONISCHE KRACHTEN BELAGEN HET GEZIN

Ook thuis wordt Ida hevig door demonen gekweld en het gezin lijdt mee – zoals Ida’s broer Piet later aan zijn dochter Hélène vertelt. Als bijvoorbeeld pater Frehe zich in de pastorie gereed maakt om bij de familie Peerdeman op bezoek te gaan, begint Ida thuis op hetzelfde moment te vloeken en te tieren. Ze beschikt plotseling over zulke lichamelijke krachten dat ze een zware stoel boven haar hoofd kan tillen. Haar stem is totaal veranderd.
Iets dergelijks kennen we uit het leven van de zalige karmelietes Myriam van Abellin, die soms ook zo’n bezetenheid moest doormaken voordat zij grote genaden ontving.

Vader en de kinderen zijn er getuige van hoe de lamp in de woonkamer heen en weer zwaait, de deurbel ononderbroken blijft rinkelen en de stoppen doorslaan. Als deuren en kasten vanzelf openvliegen, kan het gebeuren dat vader Peerdeman schertsend opmerkt: “Kom allemaal maar binnen. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd.”
Pater Frehe had hem aangeraden zo weinig mogelijk aandacht te schenken aan de demonische kwelgeesten.

Vaders onverschrokkenheid is een grote steun voor het gezin. Naar zijn voorbeeld proberen ze zo weinig mogelijk belang aan de buitengewone voorvallen te hechten. En als ze het bijzonder zwaar te verduren hebben, spreken ze elkaar moed in met een veelbetekenend: “Kom op jongens, lachen! Want als wij niet lachen, dan doen de duiveltjes het, en dat plezier gunnen we ze niet!”

Maar als de arme Ida op een keer een onzichtbare hand om haar hals voelt die haar probeert te wurgen en de aanvallen steeds heviger worden, ziet pater Frehe in dat hij een exorcisme over haar moet uitspreken. Daarbij horen de gezinsleden de weerzinwekkende stem van satan, die door Ida’s mond de priester hatelijk beschimpt. Ook op andere manieren ervaart pater Frehe de woede van de demonen.

Zo worden zowel Ida als haar leidsman twintig jaar lang geestelijk voorbereid op het genadevolle gebeuren dat eens voor de hele wereld van belang zal zijn: de komst van de Vrouwe van alle Volkeren.

 

naar boven

 
Duitse krijgsgevangenen bij Stalingrad – 1945

OORLOGSGEZICHTEN
VAN DE 35-JARIGE ZIENERES

Jarenlang verloopt nu Ida’s leven in alle rust. Slechts één keer – nog lang voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog – ziet ze, terwijl ze aan haar bureau zit te werken, geheel onverwachts in een visioen talloze uitgeputte soldaten voorbijtrekken.

Dan beginnen in 1940 – Ida is nu vijfendertig – de zogenaamde ‘oorlogsgezichten’, toekomstschouwingen over de Tweede Wereldoorlog. Terwijl Ida de toekomstige oorlogsfronten schouwt, tekent ze met gesloten ogen het verloop ervan op de tafel en haar broer geeft deze telkens met spelden op een landkaart aan. Wat Ida schouwt, komt precies overeen met de laatste berichten van de illegale zender.

Ida, die niets van militaire strategie begrijpt, ziet in een andere schouwing wat dan voor iedereen nog volstrekt onvoorstelbaar is, namelijk dat het op dat moment nog zo zegevierende Duitse leger door het Rode Leger bij Stalingrad omsingeld en in de tang genomen wordt.

Al in mei 1940, op het hoogtepunt van de Duitse ‘successen’, schouwt Ida tot in detail het treurige einde van Hitler en Mussolini. In die tijd moeten zelfs Ida’s beste vrienden lachen over deze voorzegging.

Nog niet alle gebeurtenissen hebben zich werkelijk voltrokken als de oorlogsgezichten abrupt eindigen. Er begint een nieuwe periode in Ida’s leven.

naar boven

Printversie




Navigatie