Inhoud


Apostolaat en heengaan - Details
Home --> De Zieneres

Printversie

 

Untitled Document
IDA IN DE FAMILIEKRING
ONVERMOEIBAAR IN HET APOSTOLAAT VOOR DE VROUWE VAN ALLE VOLKEREN
STIL LIJDEN
“JE BENT NOG NIET OP CALVARIË”
“IK ZAL JE SPOEDIG NAAR MIJN ZOON BRENGEN.”
IDA’S THUISVAART
PREEK VAN DE UITVAARTMIS

 

APOSTOLAAT EN HEENGAAN

Biografie van P. Paul Maria Sigl
2005, deel 3


IDA IN DE FAMILIEKRING

Begrijpelijkerwijs groeit de familie Peerdeman in de bewogen jaren van de verschijningen nog meer naar elkaar toe. De buitengewone gebeurtenissen rondom de persoon van de zieneres van Amsterdam blijven natuurlijk niet geheel verborgen, temeer daar twee verschijningen in het openbaar in de Thomaskerk plaatsvinden. De kerkelijke autoriteiten reageren op alles uiterst terughoudend en wensen geen enkele publiciteit. Dat is helemaal in de lijn van Ida, die elke sensatie rond haar persoon volstrekt afwijst. Ze ziet zichzelf slechts als werktuig, zo had de Vrouwe het haar gezegd.

Ida is zelfs zo nuchter dat ze een bezoekster die haar vol bewondering en eerbied over de arm strijkt, hevig van zich afduwt. Later praten beiden het uit en worden ze vriendinnen.

Ida’s grote steunpilaren zijn haar leidsman en de geborgenheid van de familie. Als zij lijdt en huilt, lijden en huilen de anderen met haar. Maar ze beleven samen ook veel fijne uren in de familiekring. Ze zijn allemaal heel muzikaal en dus wordt er vaak gezongen en gemusiceerd. Met Kerstmis worden er zelfs kleine concerten gegeven. Ida zelf speelt goed viool, schildert een beetje en borduurt.

Bij alle bovennatuurlijke gebeurtenissen blijft zij een gewoon mens. Ida is en blijft door en door vrouw. Ze houdt van modieuze kleding, heeft oog voor alles wat mooi is en draagt, zij het bescheiden, graag sieraden.
Met haar dierbaren kan ze enthousiast herinneringen ophalen aan fijne vakanties in de Tiroolse Dolomieten, Beieren en Zwitserland. Met de hartelijkheid die haar eigen is, houdt Ida ervan anderen te verrassen met zorgvuldig uitgekozen cadeautjes.
En nooit zal ze vergeten haar neef en nichtje een mooie kaart te schrijven, ook als ze maar voor een of twee nachten van huis is. Haar eenvoudige, bescheiden leven onderscheidt zich uiterlijk eigenlijk nauwelijks van dat van haar drie oudere zussen.

 



Familiefoto van Ida met haar broer en drie zussen

Zittend v.l.n.r.: Truus Peerdeman, Ida Peerdeman,
Jo Groothues Heidkamp - Peerdeman en pater Spauwen S.J.

Staand v.l.n.r.: Cas Kerstholt (een vriend van de familie), Gé Peerdeman,
Lies Kerstholt, Afra Peerdeman-Bos en haar man Pieter Peerdeman (de enige broer) met hun zoon Jan en dochter Hélène.

 

Parijs, 31 mei 1969
Op deze dag werd zij ‘edelvrouw’



Ida Peerdeman was lid van de ‘Militia Jesu Christi’. De Militia was oorspronkelijk een ridderorde ter bescherming van de dominicaner kloosters.
Na 1870 ontstond hieruit een zelfstandige mariale lekenorganisatie ter verdediging van het katholieke geloof.

Vroeger al had Ida in een visioen de H. Dominicus gezien, die met de woorden ‘Hier zul je binnentreden’, naar het portaal van het klooster in Sens wees.

Op 13 oktober 1968 werd ze lid van de beweging en ontving ze in Sens de ‘militia-mantel’.
Op 31 mei 1969 werd zij, tijdens de plechtige ceremonie van haar eerste belofte in de koninklijke kerk St. Germain l’Auxerrois in Parijs, door de grootmeester, broeder Emmanuel Houdart de la Motte, uitgenodigd om voor het talrijke publiek dat voor dit feest bijeen was gekomen het gebed van de Vrouwe van alle Volkeren te bidden.




Op 25 februari 1950 schreef tante Ida in het poëziealbum van haar nichtje Hélène het volgende gebed:



O leer mij toch de handen vouwen.
En ben ik blij of lijd ik pijn,
leer mij geloven en vertrouwen en levenslang geduldig zijn.
Leer mijne ziel voor altijd weten, wat Gij o God van mij begeert.
Leer mij mijn eigen wil vergeten om stil te doen wat Gij mij leert.
Amen.


“Op 13 augustus 1921, op mijn zestiende verjaardag, heb ik van pater Teppema O.P. dit gebed gekregen. Ik bid het elke dag.” Ida Peerdeman
















“En gij, kind, ik leg in uw schoot de Mensenkinderen van heel de wereld. Zie mij aan en vertrouw toch.”

Boodschap van 1 april 1951

naar boven

 

ONVERMOEIBAAR IN HET APOSTOLAAT VOOR DE VROUWE VAN ALLE VOLKEREN

“En nu spreek ik tot jou, kind. Zorg voor de verspreiding.” 17-2-1952

Deze foto mocht ik maken in de jaren tachtig. Wie Ida heeft gekend, weet dat zij tot aan het eind van haar leven en vaak met haar laatste krachten, dag in dag uit in haar kantoortje bezig was trouw gevolg te geven aan de wens van de Vrouwe. Onvermoeibaar beantwoordde ze aanvragen en brieven uit de hele wereld en stuurde de zorgvuldig verpakte bidprentjes en Boodschappen – steeds liefdevol van een persoonlijke groet voorzien – naar alle landen.

“Ga met een groot vuur vol ijver beginnen aan dit verlossings- en vredeswerk en gij zult het wonder aanschouwen.” 1-4-1951

In 1951 begreep Ida er nog weinig van. Maar later raakte zij er steeds dieper van overtuigd dat de verbazingwekkend snelle, wereldwijde verspreiding van het bidprentje het ‘wonder’ was dat de Vrouwe haar in het beeld van de neerdwarrelende sneeuwvlokken had laten zien.
Zonder veel propaganda, maar met veel hulp en medewerking van onverwachte zijde, was het gebed in vele talen vertaald en overal ter wereld terechtgekomen. En zo was het haar ook beloofd: “Gij zult merken, de verspreiding gaat als vanzelf.” (15 april 1951)

Opnieuw mag de zieneres het beeld van de sneeuwvlokken zien dat haar al eerder is getoond, en deze keer verbeeldt dit het effect van de wereldwijde gebedsactie: “Daarna wijst de Vrouwe mij op de aardbol waarop zij staat en het is alsof het rondom haar sneeuwt.
De Vrouwe glimlacht en zegt:
‘Dat begrijpt gij niet? Kijk goed op de aardbol!’ En nu zie ik de aardbol met een dikke laag sneeuw bedekt. Nu glimlacht de Vrouwe weer en zegt: ‘Kijk nu weer op de aardbol.’ En het is alsof de zon erop schijnt, alsof de sneeuw smelt en langzaam in de grond verdwijnt.
Dan zegt de Vrouwe:
‘Gij vraagt u af: wat moet dit betekenen? Nu krijg je de uitleg van mijn komst van vandaag. Zoals de sneeuwvlokken over de wereld heen dwarrelen en neervallen als een dikke laag op de bodem, zo zal het gebed met beeltenis zich verspreiden over de wereld en neervallen in de harten van alle volkeren.’ Terwijl ze dit zegt, zie ik al die volkeren voor me staan.
De Vrouwe wijst dan eerst op haar eigen hart, daarna op de harten van al die mensen en zegt:
‘Zoals de sneeuw zich oplost in de aarde, zo zal de vrucht, de Geest, komen in de harten van al de mensen die dit gebed elke dag zullen bidden. Immers, zij vragen dat de Heilige Geest zal komen over de wereld.’” (1 april 1951)

naar boven

 

STIL LIJDEN


“Zij was zo mooi, zoals ik haar gezien heb en dagelijks houd ik mij met haar bezig, met haar komst en haar woorden [boodschappen].
Ik sta er ’s morgens mee op en
ik ga er ’s avonds mee naar bed.”

Het geestelijk en lichamelijk martelaarschap dat de zieneres van Amsterdam in stilte en zonder klagen onderging, was voor buitenstaanders niet navoelbaar, zelfs niet voor haar beste vrienden.
Steeds deed zij haar uiterste best om alles precies op te schijven en gehoorzaam door te geven, zoals de Vrouwe van alle Volkeren het in milde doch betekenisvolle woorden had gezegd en onuitwisbaar in haar hart gegrift.

In haar visioenen schouwde Ida de hemel en smaakte zij gelukzaligheid. Maar terug in het alledaagse leven zag ze zich geconfronteerd met ontkenning en laster, wantrouwen en twijfel. Door de media belachelijk en ongeloofwaardig gemaakt, leerde ze op pijnlijke wijze wat het betekent ter wille van de waarheid en ter wille van de Vrouwe van alle Volkeren je goede naam te verliezen.

Ida wist dat ze niet misleid was en des te zwaarder ging ze gebukt onder de zware verantwoording om als klein werktuig draagster te zijn van de belangrijkste boodschappen van de 20e eeuw.

Een ieder die Ida Peerdeman werkelijk kende, wist van haar heldhaftige gehoorzaamheid aan het kerkelijk gezag. Maar bijna niemand kon vermoeden wat het haar kostte om te zwijgen en steeds weer opnieuw geduldig te wachten, te wachten en te wachten…

Ook als de zieneres af en toe tegenover vrienden haar teleurstelling uitte, beklaagde zij zich niet werkelijk, ook niet toen ze al haar dierbaren aan God moest teruggeven: eerst haar geliefde broer Piet, daarna de goede pater Frehe.
Toen ten slotte ook haar trouwe tweede leidsman, pater Kerssemakers S.S.S., in 1981 stierf, had men met Ida te doen omdat er nu door de week geen heilige Mis meer zou zijn in de kapel en zij niet meer te communie kon gaan. Daarop antwoordde ze: “Ik ga toch te communie. Ik ontvang deze door een onzichtbare hand.”

 

Wie Ida kende, wist hoe bescheiden en zwijgzaam zij was. Maar als priesters of pelgrims haar vroegen om iets over de boodschappen te vertellen, schilderde ze haar visioenen zo aanschouwelijk, alsof ze die opnieuw beleefde.

Iedereen die Ida over de Vrouwe van alle Volkeren hoorde spreken, moest wel tot de slotsom komen dat zo’n eenvoudige vrouw dit onmogelijk zelf bedacht kon hebben.


naar boven

 

“JE BENT NOG NIET OP CALVARIË”

Toen ook nog haar drie zussen de een na de ander overleden, zal Ida, die in veel opzichten in grote eenzaamheid leefde, wellicht aan de woorden van de Vrouwe hebben gedacht: “Gij, kind, zult moeten meewerken zonder angst en vrees. Geestelijk en lichamelijk zult gij lijden.” (1 april 1951)

De zieneres leed aan borstkanker maar liet zich uit angst voor een verblijf in het ziekenhuis pas zeer laat opereren. Bovendien had ze een zware hartkwaal.

Zelf sprak ze er niet graag over, maar sommige ingewijden wisten van de demonische kwellingen waaronder ze die laatste jaren opnieuw leed.
Op een keer kon de 85-jarige zieneres na een uur lang verschrikkelijk scherp gefluit, geschreeuw en gekrijs van de duivel, van uitputting alleen nog maar huilen.
“Maak van jouw leven
een offer.”
4 april 1954

In de nacht van 4 op 5 april 1992 kwam de duivel met zware, dreunende stappen Ida’s slaapkamer binnen. Ze zag hem niet, want hij stond in het donker, maar ze hoorde hem met zijn indringende, weerzinwekkende stem tegen haar zeggen: “Ik zal ervoor zorgen dat het met jou en je bisschop niks wordt! En het licht dat je ziet, dat ben ík en niet die ander.”

Daarop antwoordde Ida: “Zij is het wel! De Vrouwe komt altijd in het licht. Maar het eigenaardige is dat jij altijd alleen maar komt als het donker is en dat je altijd in het donker bent!” Ida bad luid het gebed dat de Vrouwe haar geleerd had. Daarop schreeuwde de duivel: “Ik zal ervoor zorgen dat je het Licht nooit meer ziet!” Daarop wierp hij een steentje in haar oog, dat vreselijke pijnen veroorzaakte. Toen verdween hij. Het oog werd vuurrood en zwol helemaal dicht.

’s Morgens wasten Jannie Zaal, haar trouwe helpster tijdens die laatste jaren, en Ida’s zus Truus het oog voorzichtig uit met Lourdeswater. Het was ontstoken, maar van binnen niet beschadigd. De arts schreef een zalf voor, zodat Ida na een dag of tien weer ongehinderd kon zien.

Op 1 maart 1995, Aswoensdag, begonnen plotseling alle vijf telefoons in huis tegelijkertijd te rinkelen. Ook toen Ida de hoorn opnam, bleef het rinkelen doorgaan. Op die manier probeerde de duivel haar bang te maken en ze kreeg het werkelijk te kwaad en voelde zich niet goed worden.

Een andere keer gooide hij haar vanaf haar bed omhoog en zei met een gemene stem: “Je bent nog niet op Calvarië!”

In de morgen van 15 december 1995 werd Ida in haar slaapkamer naast haar bed gevonden, op de grond neergesmakt. Haar gezicht zat onder het bloed. Ze had plotseling een zware hand op haar rug gevoeld, die haar voorover had geduwd. Ze had zo’n hevige smak gemaakt dat de bloeduitstortingen op haar gezicht acht weken later nog zichtbaar waren. Tot aan haar dood zou Ida driemaal vallen, zoals de Heer op zijn kruisweg.

Bisschop Bomers wilde haar in de avond van 28 mei 1996 bezoeken. Hij belde aan, maar er werd niet opengedaan. Hij wist dat Ida thuis was en bezorgd liet hij Jannie waarschuwen, om te gaan kijken wat er met Ida aan de hand was. Weer lag de 90-jarige Ida onbeweeglijk op de grond. Ze was door een forse hand met bruut geweld opnieuw naast haar bed neergesmakt.


 

De zieneres had in de kapel voor de beeltenis van de Vrouwe ‘haar plekje’.
Daar zat ze elke dag geknield om keer op keer met grote innigheid het gebed van de Vrouwe te bidden voor de haar toevertrouwde intenties en voor het welslagen van de actie.

“En gij, kind, kom voor deze beeltenis en vraag zolang ge kunt.”
Boodschap van 19 maart 1952


“Bid veel voor en om goede priesters en tot inkeer van de volkeren.”
Boodschap van 31 mei 1958



naar boven

 

DIERBARE VRIENDEN FELICITEREN IDA OP HAAR 90STE VERJAARDAG

Op 13 augustus 1995 vierde Ida haar 90e verjaardag. Van heinde en ver waren er vrienden gekomen om de jarige voor haar trouwe volharding te bedanken.


Na lang wachten mocht Ida de kerkelijke erkenning van de titel meemaken.
Dat had de Vrouwe haar ook beloofd.


“IK ZAL JE SPOEDIG NAAR MIJN ZOON BRENGEN.”

“Vaarwel! Tot in de hemel!” Dat waren de allerlaatste woorden van de Vrouwe in de boodschappen. Tot aan die dag van het weerzien heeft Ida Peerdeman trouw gedaan wat de Vrouwe haar eens had opgedragen: “Gij zult steeds voor deze beeltenis … komen vragen voor al de mensen… Dit zult gij blijven doen tot het einde daar is.” (15 november 1951)

Ida wist dat ze in 1996 zou sterven, want op 1 januari van dat jaar hoorde ze voor het eerst sinds november ’95 weer de stem van de Vrouwe, die aankondigde: “Dit is je laatste jaar. Spoedig zal ik je bij mijn Zoon brengen. Je taak is volbracht. Luister verder naar de stem.” Korte tijd later vertrouwde Ida een bekende toe: “Ik zal niet lang meer leven. Ik ben doodziek. Er is niets meer wat me nog hier houdt!”

Op 31 mei 1996, de toekomstige feestdag van de Medeverlosseres, werd door Mgr. Henricus Bomers, de bisschop van Haarlem, en zijn hulpbisschop Mgr. Jozef M. Punt officieel toestemming gegeven voor de openbare devotie tot Maria onder de titel ‘de Vrouwe van alle Volkeren’. Tientallen jaren had Ida biddend daarop gewacht. Zoals de oude Simeon, zei de 90-jarige zieneres vol vreugde:
“Nu is het dan toch eindelijk gebeurd. Ik zou het meemaken en ik heb het meegemaakt. Laat Onze Lieve Heer me nu maar halen!”

naar boven

 

IDA’S THUISVAART

Op woensdag 12 juni 1996 ontving Ida met diepe overgave het sacrament van de ziekenzalving door de handen van pater Amandus Korse O.F.M. Hij was diep aangedaan door Ida’s bereidheid te sterven of – zo God het wilde – nog langer te lijden.

Twee dagen later drong de huisarts erop aan de zieke Ida vanwege haar acuut slechte gezondheidstoestand naar het ziekenhuis te laten brengen. Ida had Jannie gevraagd haar alvast van de slaapkamer naar de benedenverdieping te helpen voordat de ziekenauto zou arriveren. Maar daarbij vielen ze samen van de trap en Peter, de tuinman, droeg de doodzieke Ida de eetkamer in.
In het ziekenhuis werd ze onmiddellijk op een zuurstofapparaat aangesloten omdat ze bijna geen lucht meer kreeg en op pijnlijke wijze dreigde te stikken.
Slechts een paar vrienden konden haar nog bezoeken. Als een kind lag de 90-jarige Ida op haar bed. Ze sprak met haar laatste krachten – haar zwakke hart was volledig uitgeput.

In de vroege ochtend van 17 juni 1996 was Ida alleen. Om kwart over vier legde deze grote zieneres van de Vrouwe van alle Volkeren, die tegelijk zo in het verborgene had geleefd, haar ziel terug in de handen van haar Schepper.

“Vaarwel! Tot in de hemel!”
De laatste woorden van de laatste boodschap, 31 mei 1959

“Kind, zij zullen je geloven. Ik ben daar. ik zal je bijstaan en helpen.”
31 mei 1954

naar boven

 

TOESPRAAK

van Mgr. H.J.A. Bomers (+12-9-1998), gehouden tijdens de uitvaartmis voor Ida Peerdeman op 20 juni 1996.

Uit diep respect voor de menselijke grootheid van de zieneres wilde Mgr. Bomers op 20 juni 1996 zelf
de begrafenisplechtigheid leiden. Rechts van hem, in franciscaner pij, staat pater Amandus Korse.

Dierbare broeders en zusters,

Op dit moment in de liturgie is het de plaats om iets te zeggen over de overledene die zo aanstonds ten grave wordt gedragen. Wij zijn hier bijeen als mensen die van Ida Peerdeman hebben gehouden en die haar bewonderd en gewaardeerd hebben. Hoewel wij natuurlijk allemaal wisten dat, gegeven haar leeftijd, dit moment een keer moest komen en dat wij ons bij het onvermijdelijke moesten neerleggen, neemt dat niet weg dat haar heengaan een lege plaats laat in ons midden.

Ik heb geprobeerd enige schriftlezingen te zoeken die zo goed mogelijk, of laat ik zeggen op bijzondere wijze, passen bij Ida Peerdeman. De eerste lezing is genomen uit de profeet Jesaja, die zo begint: “In die dagen zal de Heer der hemelse machten voor alle volkeren op deze berg een gastmaal aanrichten.”
Voor alle volkeren. Wij weten allen dat dit thema, dat de Heer er is voor alle volkeren – een thema dat vele malen in de bijbel terugkomt – in de geloofsovertuiging en de ervaringen van Ida Peerdeman ook altijd een grote rol heeft gespeeld.

Ik weet dat zij er altijd zeer naar heeft uitgezien dat deze devotie en de vorm, zoals zij die voorstond, door de Kerk erkend zou worden. Ik wil u graag verzekeren, dat dit altijd ook mijn verlangen is geweest, maar dat je bij het doen van een uitspraak als bisschop met alle omstandigheden rekening moet houden. Wanneer ik zeg ‘alle omstandigheden’, dan denk ik dat ik de enige hier in deze kring ben die werkelijk alle omstandigheden kent.

Gelukkig hebben Mgr. Punt en ik op 31 mei, het feest van Maria Visitatie, mededeling gedaan dat wij geen bezwaar hebben tegen de devotie tot Maria als De Vrouwe van alle Volkeren en ook niet tegen de publieke verering van Maria onder deze titel.
De Kerk moet heel voorzichtig zijn bij het erkennen van bijzondere ervaringen die mensen hebben meegemaakt, zoals Ida die ook heeft meegemaakt.

Dat wil niet zeggen dat de Kerk geen geloof en vertrouwen schenkt aan deze mensen, maar zulke dingen moeten absoluut zeker zijn en grondig door de Kerk zijn onderzocht om te kunnen uitspreken dat zoiets volstrekt in eenheid is met de officiële en vaststaande leer van de Kerk, die gegrondvest is op de Heilige Schrift. Of in dit geval dat moment ooit zal komen? Laten we daarvoor geestelijk openstaan, laten we daarvoor bidden en laten we als echte christenen geduldig wachten tot het juiste tijdstip is gekomen.

Bronzen beeld op het graf van
Ida Peerdeman, op de begraafplaats St. Barbara in Amsterdam

Wat ik in ieder geval hier zeker wil uitspreken is, dat ik Ida redelijk goed gekend heb. Ik heb verschillende keren met haar gesproken. Zij is zelf de eerste keer uit eigen beweging bij mij gekomen om hierover te spreken. Ik geloof dat wij allen moeiteloos kunnen bevestigen dat Ida, met de ervaringen die zij heeft meegemaakt, nooit zoiets als een kwezel is geworden. Zij was de nuchterheid zelve tot op de laatste dag, en zij had een ontzettende hekel aan zoiets als persoonsverheerlijking. Daar moest ze werkelijk niets van hebben, en dat zijn beide heel goede en positieve tekenen.

Wij allen hebben haar natuurlijk ook gekend als vrolijk, vief, attent, levendig tot aan de laatste dagen van haar leven. Wat voor mij ook absoluut vaststaat is, dat zij volstrekt eerlijk was en de waarheid heeft gesproken zoals zij die heeft beleefd. Zij is haar hele leven betrokken geweest bij de devotie tot Maria onder de titel de Vrouwe van alle Volkeren.

Ik denk dat dit een devotie is die in onze tijd zeer van pas komt, want wij leven in een tijdsgewricht waarin de volkeren van de aarde elkaar allemaal kennen en onderlinge contacten met elkaar hebben. Dat is zeker ook zo in ons land, en het meest nog in deze stad Amsterdam, die mensen kent uit welhaast al de volkeren van de wereld. Al deze volkeren moeten ook samen in liefde, in harmonie en broederschap met elkaar kunnen leven. Wij kennen oorlogen op zoveel plaatsen in onze wereld, ook in onze streken, in deze eeuw nog op een heel afschuwelijke wijze verbonden met een rassentheorie die absoluut verwerpelijk is.

Aan het thema: dat de volkeren van deze wereld alle behoren tot de ene familie van God, geven wij uitdrukking wanneer wij het Onze Vader bidden; wanneer wij tot God bidden ‘Onze Vader’ dan spreken wij met die twee woorden iets heel revolutionairs uit.
Ik bid niet tot ‘mijn Vader’ en u bidt niet tot ‘uw Vader’, maar elke christen - het voorbeeld van Jezus volgend - zegt altijd: ‘Onze Vader’. Hij is de ene Vader van alle mensen, van alle volkeren, en wij zijn elkaars broeders en zusters. Daarom is deze devotie tot Maria ‘de Vrouwe van alle Volkeren’ een heel goede devotie.
Wat deze devotie ons ook voorhoudt is, dat wij naar al die mensen op onze aarde, die Christus niet kennen, een evangelisatieplicht hebben. Niet dat we aan zoiets als proselitisme moeten gaan doen en allerlei slinkse methoden moeten aanwenden om mensen tot christen te maken. Of iemand christen wordt, is zijn of haar persoonlijk verantwoordelijkheid, maar onze verantwoordelijkheid is het om met de woorden die wij spreken, met de daden die wij stellen en met het getuigenis van ons leven aan de mensen te laten zien en te laten horen wie Christus is.
Daarom is deze titel ‘Maria, Vrouwe van alle Volkeren’ ook een zeer evangelische titel. Deze herinnert ons aan onze opdracht, Christus te verkondigen aan al de volkeren.

Paulus schrijft in een van zijn brieven: “Wee mij zo ik Christus niet verkondig.” Hij zegt niet: “Wee die mensen die Christus niet kennen” of: “die Christus niet aanvaarden”, maar: “Wee mij als ik Hem niet verkondig”. Welnu, deze gedachte van Paulus ligt ook geheel in deze devotie tot Maria de Vrouwe van alle Volkeren.
In het Johannesevangelie, waar deze term ‘Vrouwe’ tweemaal gebruikt wordt, is het heel duidelijk dat Christus Maria betrekt bij zijn heilszending. Daarom, dierbare broeders en zusters, hoop ik van harte dat vanaf heden, vanaf het heengaan van Ida uit ons midden, datgene, waar zij met haar hart zo bij betrokken is geweest, ook in ons midden zal voortleven; dat er een mooie en echt evangelische, bloeiende devotie moge ontstaan tot de Vrouwe van alle Volkeren.
Daarvoor is in de eerste plaats nodig dat wij beginnen met allen in harmonie met elkaar samen te leven en samen te werken. Mochten er fouten zijn gemaakt, dat we dan als echte leerlingen van Jezus ook elkaar weten te vergeven, en weer op te staan en op de weg van het evangelie met nieuwe energie voort te gaan.

Ida stond er helemaal voor open dat de dag van haar dood dichterbij kwam. Zij is nu verenigd met haar familie, haar familieleden van wie zij altijd heel veel gehouden heeft en die ook altijd veel van haar gehouden hebben. Zij is gelukkig bij God, bij Maria en bij al degenen – en dat zijn er heel veel – die hier op aarde haar vrienden zijn geweest. Daar is zij nu onze voorspreekster.

Bij zo’n gelegenheid past het ook om mensen te bedanken die veel in haar leven hebben betekend. Het is voor mij niet helemaal te overzien wie ik met name zou moeten bedanken. Ik denk dat de lijst zo groot en lang zou worden, dat ik het verstandiger vind om daarvan af te zien. Iedereen die tijdens het leven van Ida met haar heeft geijverd voor de devotie tot de Vrouwe en haar daarin gesteund heeft, wil ik graag mijn waardering en dank zeggen, en hun vragen: ga voort op de goede weg.
Eén persoon wil ik persoonlijk danken, en dat bent u, mevrouw Jannie Zaal, omdat u persoonlijk heel dicht bij Ida hebt gestaan en haar met veel liefde en toewijding hebt verzorgd, ook in de laatste dagen toen zij zeer intensieve zorg nodig had.

U allen wil ik mijn medeleven betuigen met het verlies van Ida Peerdeman. Laten wij elkaar echter ook troosten en bemoedigen met deze overtuiging, dat het voor Ida niet haar uitvaart is maar haar thuisvaart, en dat wij ons gesteund mogen weten door het voorbeeld van haar leven, en dat wij ook eens bij haar zullen zijn waar zij nu gekomen is.

Amen.


naar boven

Printversie




Navigatie